HERINNERINGEN VAN EEN KIND AAN DE EERSTE GOLFOORLOG IN IRAK

Deze maand (februari n.v.d.r.) is het 25 jaar geleden dat de Eerste Golfoorlog uitbrak, een oorlog waarin (reeds vergeten) misdaden tegen de menselijkheid plaatsvonden, gericht tegen het Iraakse volk. Deze misdaden zijn niet alleen vergeten, maar diegenen die ze, onder de vlag van de “coalitietroepen”, verrichten, lopen nog steeds vrij rond. Bovendien zijn ze nu waarschijnlijk werkzaam als adviseurs, consultants of beleidsmakers, en ze voeren meer gelijkaardige misdaden uit elders in de wereld. Of ze zijn gepensioneerd en leven gelukkig en wel op een rustig, vredig en gekoloniseerd eiland. De Eerste Golfoorlog staat bekend als de 'reactie' van de zogenaamde "internationale gemeenschap", onder leiding van de coalitietroepen, op de catastrofale invasie van Koeweit door Irak. In die tijd zat ik als kleuter op de lagere school. In mijn hoofd bewaar ik herinneringen, beelden, geuren, en de herinnering aan doden. Dat alles heb ik in de loop der jaren gedocumenteerd in mijn dagboek.
Vandaag zou ik met u een selectie uit mijn dagboek uit die periode willen delen, fragmenten zoals ik ze oorspronkelijk schreef, zonder wijzigingen, behalve dan omwille van taalkundige en redactionele motieven in verband met de lengte van de tekst.

Toen in 1991 de Eerste Golfoorlog begon, was ik een kind dat dol was op het grootbrengen van kippen. Ik had er vier. Het waren kippen met verschillende kleuren, waarvan mijn meest favoriete kip een zwart-witte was met scherpe en mooie oranje-gekleurde oogjes. De andere leden van de familie hielden ook van de kippen, zij het dan vooral omdat ze eieren legden. Maar ik hield van die diertjes op zich en niet omdat ik er materieel voordeel van had. Een groot deel van de dag besteedde ik aan het observeren van hun gedrag: hoe ze aten, hoe ze speelden, en zelfs hoe ze eieren legden. Speciaal voor hen had ik een kippenhok gemaakt tussen cementblokken. Mijn tijd verdeelde ik tussen de school, mijn huiswerk en mijn kippen. Ze waren mijn onmisbare vrienden.

Ik had niet zoveel contact met de andere schoolkinderen omdat we niet zoveel gemeenschappelijke interesses hadden. Eén incident herinner ik me nog levendig. Het was de eerste dag dat mijn favoriete kip haar eerste ei legde. Ik was in de buurt van het kippenhok en keek naar het dier. Ik was dolblij dat de langverwachte dag eindelijk aangebroken was. De kip deed er lang over om dat eerste ei te leggen, echter met weinig succes. Na enige tijd hoorde ik een hels geluid dat klonk als een zware explosie buiten. Mijn kleine kip en ik schrokken er beide heel erg van. Door dit geluid werd de kip als het ware gedwongen om het ei te leggen. Het viel in de modderige grond van het kippenhok. Het ei brak… de Eerste Golfoorlog was begonnen.

Onze buren in Kirkuk toen waren meestal aardige mensen met wie we een goede verstandhouding hadden opgebouwd sinds we verhuisd waren naar de wijk. De buren uit het aanpalende huis waren bijzonder vriendelijk en behulpzaam. Het was een Sjiitische familie uit de zuidelijke Iraakse stad Najaf. Tijdens de eerste dagen van de oorlog was mijn vader, net als vele andere Iraakse mannen op dat moment, door de Iraakse staat verplicht om deel uit te maken van wat toen al-Jaish al-Sha'bi [het volksleger] werd genoemd. Dat leger bestond uit slecht uitgeruste groepen van zogenaamd "civiele vrijwilligers" om defensie-eenheden te vormen in oorlogstijd. Het dient opgemerkt te worden dat deze "vrijwilligers" werden gedwongen door de staat om zich bij deze slecht uitgeruste groepen aan te sluiten. En zo werd mijn vader bij een groep mensen geplaatst die verantwoordelijk waren voor "de bescherming van de omgeving van Kirkuk".

Echter, van zodra de bombardementen begonnen ontsnapten de meesten van zijn vrienden, en hij, samen met twee andere mannen, bleven achter. Wij hadden er geen idee van waar hij naartoe was gebracht. We waren niet eens zeker of hij nog leefde. En toen de bombardementen heviger werden en de elektriciteit in de meeste delen van de stad uitviel, waren we bang in ons huis. We wisten niet wat we moesten doen. Op dat moment was mijn moeder zwanger van mijn jongste zus. Hoe luider de bombardementen, hoe meer we erdoor werden geïntimideerd. Mijn jongere zusjes begonnen te huilen en mijn moeder wist niet hoe ze hen moest troosten.

In het begin van de oorlog, begonnen wij, kinderen, ’s avonds te huilen van angst. Dan kwam de moeder van de Sjiitische buren ons over de muur heen moed inpraten. Ze zei dat ze wist dat mijn vader niet thuis was, en dat zij, net als wij, bang waren. Ze stelde dan voor om de nacht bij hen door te brengen, want, en dit waren haar woorden: “Als we sterven, sterven we samen, als we het overleven, overleven we het samen.” Er was geen stroom, wat de bombardementen nog intenser en angstaanjagender maakte. Er was een totale black-out. Volgens sommigen gebruikte de overheid deze tactiek om het de Amerikaanse vliegtuigen moeilijk te maken om doelwitten te treffen in het donker. Toen de nacht viel, voelde het alsof er geen ochtenden meer zouden aanbreken. De nachten waren zo koud, donker, regenachtig, eenzaam en lang. Bovendien was er geen water. We verzamelden regenwater dat diende als drinkwater.

We zetten een grote, brede pot in het midden van de tuin en wachtten tot daarin voldoende regenwater was gevallen. Nadat het ophield met regenen gingen we kijken naar de pot. We zagen dat die was gevuld met zwart regenwater (water vermengd met restanten van de bommen, de rook, de gassen en God weet wat er nog meer in de lucht hing). We wachtten tot de zwarte partikeltjes in de pot neersloegen en vervolgens gebruikten we het als "drinkwater". Dit deden we zolang we in de Eerste Golfoorlog thuis woonden. In die periode was het leven van mijn familie gereduceerd tot: een afwezige vader, bange en huilende kinderen, duisternis, tekort aan voedsel, tekort aan water en warmte. En bovenal: de alles overheersende aanwezigheid van onzekerheid in ons leven. Ik zal nooit vergeten hoe we in de woonkamer van onze lieve buren op de vloer zaten, met in onze rug een paar kussen, terwijl hun vader verhalen vertelde bij het licht van een lantaarn, dit alles om onze aandacht af te leiden van de helse geluiden van bommen en raketten die werden gegooid op plaatsen die we niet kenden. Maar het was alsof die bommen en raketten explodeerden in onze oren. Op een ochtend zagen we een menigte verzameld rond een huis in de buurt. Toen we dichterbij kwamen, zagen we dat er de vorige nacht een bom was gevallen op dat huis en dat de hele familie dood was. Tegen de tijd dat ik bij het gebombardeerde huis aankwam, waren de lichamen reeds weggenomen, maar de beelden van het volledig vernielde huis waren enorm verwoestend. Ik herinner me nog hoe ik naar de details van de scène keek, zoals de vernielde kast met kleding, keukengerei, stropdassen, lakens en keukengerei, de gebroken koelkast en de kapotte meubels, dat alles vermengd met cement, bloed en puin.

We brachten een aantal dagen door samen met onze buren. Maar na een paar dagen werden ze té bang om nog langer in de stad te blijven, vooral toen er vele geruchten de ronde deden dat de oorlog nog heftiger zou worden en er nog meer bloed zou worden vergoten in Kirkuk. Mensen in onze regio waren vooral bang dat, als het regime werd omver geworpen en Koerdische troepen vanuit het noorden Kirkuk zouden binnenvallen, er een aantal gruwelijke wraakacties zouden plaatsvinden. Sommige van de geruchten die de mensen begonnen te verspreiden, waren dat de coalitietroepen "het gevecht hadden gewonnen," en dat "de Koerdische troepen op weg waren vanuit het noorden om zich te wreken, en alle niet-Koerden in de stad zouden doden", omdat het regime van Sadam gevallen was.
Ik denk dat, als er niets anders is dan duisternis, mensen in zulk een situatie gemakkelijk geruchten verspreiden en ze tegelijkertijd nog geloven ook. Of zoals het oude gezegde luidt: "Ze liegen en geloven hun eigen leugens." Onze buren besloten om te vluchten naar het zuiden, waar ze ten minste familie hadden.

Op dat moment dachten de mensen dat de Koerden en Shi’a (Sjiieten) volledig zouden kunnen rekenen op Amerikaanse steun en zegen voor hun intifada. Anderen beweerden dat Iran Irak zou bombarderen, als wraak voor de schade die Irak had veroorzaakt tijdens de acht jaar durende Irak-Iran oorlog. En zo draaide de geruchtenmolen verder. Er bestaat geen twijfel over dat een chaotische omgeving een perfecte situatie is voor het verspreiden van geruchten. Mensen in tijden van oorlog en conflict gedragen zich als een kudde schapen die op weg gaan naar om het even welke bestemming, waarvan hen verteld wordt dat het "veilig" is, ook als die bestemming fataal blijkt te zijn. Het is juist in zulke tijden dat mensen elk gevoel van richting verliezen.

Naarmate de oorlog vorderde, liep de buurt bijna volledig leeg, De deuren van de huizen stonden wijd open. Levend vee en pluimvee waren achtergelaten in de straten. Niemand gaf hen voedsel of zorgde voor hen. Omdat ik van dieren hield, wilde ik al die dieren verzamelen om voor hen te zorgen, maar die meest onmogelijke wens kon natuurlijk niet vervuld worden. Mijn moeder zei: "Je vier kippen zijn, nu we onszelf nauwelijks kunnen voeden, al een last genoeg." Omdat de wijk bijna helemaal leeg was, werd mijn moeder steeds angstiger. Ze begon de geruchten meer en meer ernstig te nemen. Haar grootste angst was dat het Iraakse leger inderdaad de stad zou binnenvallen en met de Koerdische strijdkrachten, de Peshmerga, in gevecht zou raken. En wij zouden in deze gevechten verzeild raken en niet meer weg kunnen.

Het idee om thuis te blijven en ons lot, samen te leven of te sterven, te aanvaarden, was niet langer een optie. Mijn moeder begon erover na te denken om het dorp te verlaten. Wij zouden echter naar het noorden van het land gaan, want daar hoorden we meer thuis (mijn beide ouders waren christenen, afkomstig uit dorpen in Noord-Irak). Toch waren we niet zeker waar precies in het noorden we naartoe konden gaan om veilig te zijn.
Als ik in de schoenen van mijn moeder zou hebben gestaan, dan kan ik me alleen maar voorstellen hoe het voor haar voelde om een ​​zwangere vrouw te zijn, met zes kleine, kwetsbare en machteloze kinderen, een echtgenoot van wie ze niet wist waar hij was en wonend in een verlaten buurt. Ik herinner me nog een moment dat ik haar hulpeloos door het keukenraam zag staren, terwijl ze probeerde te denken aan een mogelijkheid om te ontsnappen, en op die manier het leven van haar kinderen te redden. Ze besliste vrij laat om de stad te verlaten. Er waren geen auto's meer in de straten. Mensen zeiden dat alle tankstations in de stad waren gesloten omdat er geen brandstof meer was. Er was dus niet allen een tekort aan autobrandstof, maar ook een tekort aan om het even welke bron van energie. Daardoor waren alle straten in de stad zo dood als een graf. Of, zoals wij Assyriërs in het Aramees zeggen: "Er waren zelfs geen vogels te bespeuren in de lucht ".

Een zeer arme familie die in een huis woonde in dezelfde huizenrij in onze straat, was één van de weinige gezinnen die nergens heen konden. De vader van deze familie vertelde ons dat er in een gebied, ongeveer op 1 ½ u wandelafstand van waar wij woonden, nog een paar bussen waren. Daar, zei hij, konden we bussen vinden die naar het noorden van het land reden. Dus op dat moment konden we niet anders dan naar het noorden gaan, ook al was het daar niet veiliger dan in Kirkuk. Ondanks de constante bombardementen, en, in dit stadium van de oorlog, het ontbreken van enig communicatiemiddel en de beschikking over uiterst beperkte vervoersmiddelen, besloot mijn moeder om naar het busstation te lopen en van daaruit te proberen naar het noorden te geraken. Ze hoopte op die manier een betere schuilplaats te vinden, zonder echter de garantie te hebben dat het ginder veiliger zou zijn dan de plaats waar we op dat moment verbleven. Dit is precies hoe vernieling, veroorzaakt door oorlog, voelt: het maakt niet uit of je vertrekt of blijft.

Leven en dood gaan op mekaar gelijken. We pakten warme kleding in twee kleine zakken, en we namen ook nog wat van het brood mee dat was overgebleven – in oorlogstijd wordt brood het liefste en meest heilige goed. We verlieten het huis en liepen ongeveer twee uur totdat we het busstation hadden bereikt. Maar daar vonden we helemaal geen bussen. In plaats daarvan stonden er honderden mensen (voornamelijk Koerden en christenen) te wachten op een volgende bus die zou komen. Een enkele bus kwam af en toe voorbij om de wachtenden te vervoeren naar hun onbekende bestemming. En we zagen dat die bus al vol volk geraakte nog voordat ze volledig gestopt was. Mensen renden voor hun leven in de meest uitzinnige manier die ik ooit in mijn leven heb gezien. Voor mij was het zowel schokkend als fascinerend om op die jonge leeftijd getuige te zijn van menselijk gedrag in oorlogstijd. Mensen, dacht ik toen, kunnen ongelooflijk wreed, onvoorspelbaar en destructief zijn als het gaat om het redden van hun eigen hachje tijdens een oorlog. Zelfs toen vond ik dat nogal ironisch. Sindsdien heb ik me vaak afgevraagd wat onze menselijke natuur beter weergeeft: de manier waarop we handelen in tijden van conflicten of de manier waarop we ons gedragen in tijden van "vrede". Sterker nog, ik heb me altijd afgevraagd of vrede ooit bestaat ​​in onze droevige en eenzame wereld.

Het lukte ons niet om op een bus te geraken en het werd stilaan donker. Tijdens het wachten ontmoetten we een ander christelijk gezin, bestaande uit twee vrouwen en twee kinderen van mijn leeftijd. De ene vrouw was de moeder van de twee kinderen, de andere was haar schoonzuster. Hun verhaal leek in veel opzichten op het onze. Ook hun vader werd gedwongen om het volksleger te vervoegen en ook zij hadden geen idee van wat er met hem was gebeurd. Ze waren te bang om thuis te blijven en dus hadden ze besloten om, in hun zoektocht naar veiligheid, naar het noorden te vluchten. Nadat we met de familie hadden gepraat vonden we mekaar sympathiek en we besloten om onze reis samen verder te zetten. Voor het einde van de dag waren we er op de één of andere manier in geslaagd op een bus te geraken die naar Erbil reed. Het enige wat ik me herinner is dat mijn moeder en de twee andere vrouwen onze handen strak vasthielden, en zo snel als ze konden liepen om op de bus te geraken, ondanks de menigte. Het leek wel een stormloop.

Het volgende wat ik me herinner is dat ik op de bus zat, en de zware regenval buiten … we waren op weg naar Erbil. Ook daar was er een totale brandstofcrisis. Het was onmogelijk om een ​​auto te vinden die ons naar een definitieve en veilige bestemming kon brengen, een voor ons onbekende. bestemming... We gingen gewoon met de stroom mee, samen met honderden en duizenden mensen. Echter in Erbil woedde de oorlog heviger, en bovendien was er een conflict gaande tussen de Koerdische strijdkrachten en het Iraakse leger. Mensen vluchtten met hun tassen, koffers en kinderen. Ik zag mensen die zo moe waren geraakt van het rennen dat ze, wat ze bij zich hadden, beetje bij beetje achter lieten, enkel en alleen maar om hun eigen leven te redden. Hoewel oorlog een ware ramp is en geen mens het verdient om het te moeten meemaken, herinner ik me nog steeds dat mensen de bezittingen die ze droegen wegwierpen, enkel en alleen om te overleven. Eigenlijk is bezit nooit zo belangrijk. Uiteindelijk is het behoud van lichaam en ziel wat telt. Mochten mensen deze les onder normale omstandigheden begrijpen, zouden zij dan nog steeds zo streven naar bezit of zouden ze dan nog zoveel consumeren, zoals dat nu gebeurt op zovele plaatsen in de wereld? Als ze dit in tijden van "vrede" begrepen, zouden er dan ooit nog oorlogen zijn op onze planeet?

Het bombarderen van de tanks en vliegtuigen bleef voortduren, en mensen bleven rennen en hun lading geleidelijk aan weggooien. Eerst tassen, dan eten, dan water, en dan… - ik voel me altijd intriest als ik bij dit deel kom - sommige vrouwen werden zo moe van het dragen van hun kleine kinderen dat ze hen aan de kant van de weg achterlieten en bleven rennen voor hun eigen leven - of misschien wel in de richting van hun eigen dood… ? Tijdens het rennen in deze mensenmenigte, zag ik een vrouw die twee kleine kinderen op haar schouders droeg. Ze bleef rennen en zag er ongelooflijk moe uit. Op een gegeven moment werd ze zo moe van het dragen van die twee kleintjes, dat ze hen allebei in een groot gat aan de kant van de weg zette en zelf verder ging. Nog nooit in mijn leven was ik getuige geweest van een zo gruwelijke omstandigheid waarin men gedwongen wordt eigen vlees en bloed achter te laten. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af wat ‘liefde’ is, hoeveel kan men werkelijk liefhebben, wat zijn de grenzen van de liefde?

Het was triest om te zien dat mensen zich ontdeden van hun rantsoen eten, wat op dat moment toch het meest essentiële was voor hun voortbestaan. Ze waren niet in staat om zelfs de meest elementaire zaken bij zich te houden om te overleven, omdat de tanks achter hun rug links en rechts schoten en de vliegtuigen op goed geluk boven hun hoofd bommen gooiden. Mijn moeder had tijdens het lopen de grootste moeite om ons bij zich te houden, onze handen vast te houden en om rond zich heen te kijken. Ik herinner me nog hoe ik haar jurk losliet en ging kijken naar een diep gat, veroorzaakt door een bom, en waarin ik vier levende kippen zag die door iemand waren achtergelaten. Ik wilde naar beneden in het gat gaan, de kippen grijpen en ze meenemen. Voor ik het goed en wel besefte, greep mijn moeder mijn hand, sleepte me mee en bleef rennen. Voortdurend hielden we onze ogen open en probeerden we een ​​andere bus te vinden die ons naar onze volgende stad Suleimani zou kunnen brengen, maar dat bleek met de seconde steeds moeilijker te worden en de tijd tikte weg. In een oorlogszone zijn seconden belangrijk en kunnen wel eens het verschil maken tussen leven en dood. Toen de bombardementen heviger werden, werd het onmogelijk om verder te lopen, want we zagen dat de tanks van het Iraakse leger slechts een paar meter van achter ons verwijderd waren, terwijl de Amerikaanse vliegtuigen ons van bovenaf bombardeerden. Ik herinner me nog hoe mijn moeder schreeuwde naar twee Iraakse soldaten die bovenop een tank zaten en hoe ze vroeg waarom ze dit de mensen aandeden: "Hebben jullie geen moeders of families!'.

We bereikten een locatie in de buurt van het centrum van de stad Erbil. Mensen vertelden ons dat er in één van de grote gebouwen een veilige kelder was waar vele gezinnen beschutting hadden gezocht. Op die plaats wachtten ze tot de bombardementen zouden vertragen of stoppen. Wij volgden de mensen en ging naar de eerste verdieping van dit grote gebouw. Het leek alsof het aan de buitenkant in het geel geschilderd was, maar de verf was vervaagd waardoor het leek alsof het met roest was beschilderd. In het gebouw vonden we een trap die leidde naar een ruimte die dienst deed als schuilplaats, en waar heel wat gezinnen bij mekaar zaten. We wachtten ongeveer een half uur in die schuilplaats, gevuld met honderden mensen en met nauwelijks ruimte om je voeten te bewegen. Toen werd het geluid van raketten en bommen luider en enger dan ooit. Tijdens het wachten was mijn moeder aan de praat geraakt met een Koerdische familie: een man, zijn vrouw en hun twee dochters, twintigers zo leek het, die oud genoeg waren om naar de universiteit te gaan. De man zag eruit alsof hij een eind in de vijftig was. Hij sprak met hetzelfde Koerdische accent als dat in Kirkuk gebruikelijk was (Sorani), dus ik begreep wat hij zei. Hij vertelde mijn moeder dat hij vreesde dat, als dit gebouw zou worden gebombardeerd, dit fataal zou zijn voor ons allemaal. Hij vroeg ons om hen te vervoegen en onmiddellijk het gebouw te verlaten. Mijn moeder was wat terughoudend, maar na overleg met het christelijk gezin dat ons vergezelde, waren zij het erover eens dat hij gelijk had. Iedereen wist dat het zeer gevaarlijk was om dit te doen, maar we besloten om de man en zijn familie te volgen en de kelder te verlaten. Het was de meest ernstige gok tijd, plaats en omstandigheden in acht genomen.

Toen we de straat overstaken gebeurde er iets wat mijn kijk op de wereld en de mensheid voorgoed veranderde. We hoorden het oorverdovende geluid van een bom, tegelijkertijd ook het geluid van verbrijzelend glas en puin. Dit klonk zo luid dat het voelde alsof we ons gehoor zouden verliezen. Het hele gebouw, waarin we een paar minuten geleden nog beschut hadden gezeten, stortte voor onze ogen in over de achtergebleven families. Diegenen die in het gebouw waren gebleven, werden in een tijdsbestek van een paar minuten ‘verleden tijd’.

Deze herinnering is als het ware verankerd in mijn geheugen. Alhoewel wij het bombardement hadden overleefd door het gebouw te verlaten, weiger ik, denkend aan het lot van de mensen die in die schuilplaats waren gebleven, om dit feit toe te schrijven aan “Gods zorg”. Want hoe kon God ons meer liefhebben dan die andere mensen? Ik weiger evenzeer om dit feit toe te schrijven aan "geluk". In feite doet deze ramp me vaak de vele noties van "geluk", zoals wij die kennen, in vraag stellen. Ik denk dat, als men echt denkt dat dit een kwestie is van geluk, het zo zou zijn dat de mensen die daar stierven meer "geluk" hadden gehad dan wij, want, zoals Plato zegt: "alleen de doden hebben het eind van de oorlog gezien ". Ik heb geleerd dat een oorlog overleven nooit een kwestie is van geluk omdat we nooit genezen van oorlogswonden. Deze wonden zijn voor eeuwig of houden nooit op te bestaan ​​in de hoofden van de" overlevenden ".

Tegelijkertijd denk ik dat de mensen die in dat gebouw het leven lieten, de best geplaatste getuigen zouden zijn geweest om ons te vertellen hoe catastrofaal de gevolgen van de eerste Golfoorlog waren. Wat dat betreft is het enige wat ik voel, dat de honderden mensen die daar stierven, een wond zijn geworden in mijn hart die nooit zal genezen. Ze zijn een stigma geworden op het voorhoofd van de gehele internationale gemeenschap die zulke vreselijke dingen laat gebeuren met onschuldige mensen, en dit onder verschillende voorwendsels, zoals: "het bestrijden van een dictator", "de strijd tegen het terrorisme" en "de bevrijding van de onderdrukten", en zo voort en zo verder, hypocriete retoriek die tot op de dag van vandaag voortduurt in andere ‘geselecteerde’ landen in het Midden-Oosten.

Na een paar uur wachten op een andere veilige schuilplaats die zich op ongeveer tien minuten loopafstand bevond van het vernielde gebouw, besloten we om verder te gaan. Na ongeveer een uur lopen in de regen bereikten we de rand van de stad. Het uitzicht veranderde: gebouwen en straten gingen over in brede, groene en modderige velden. De snelheid van onze stappen was als het ware in overeenstemming met de harde regenval. Enigszins ironisch gezien was ons wandelen een militaire mars op zich. Dit ging zo door tot we een glimp opvingen van een paar huizen in de buitenwijken van de stad. We klopten op de eerste deur en die ging open. Een vrouw van gemiddelde lengte, met wat overgewicht, met groene ogen en een donkere huid, vroeg: "Hallo, hoe kan ik u helpen?". Mijn moeder vertelde haar in het kort ons verhaal. Ze vertelde haar dat we beschutting zochten, ook al was het maar tijdelijk. Ze zei ook dat we iets zochten om te eten omdat we uitgehongerd waren. Want we hadden op dat moment gedurende twee dagen niets gegeten. De vrouw barstte in tranen uit en ze begon haar eigen verhaal te vertellen, dat niet minder tragisch was dan het onze. Ze vertelde dat haar man ook spoorloos was en ze niet wist of hij levend was of dood.

De lieve vrouw liet ons binnen in haar lemen huis. Er stonden nauwelijks meubelen. Op de vloer lag een haveloze rode loper. Het bed was onopgemaakt en de lakens lagen op de vloer. Ze zagen er smerig uit en ze stonken. Er stond een oude koelkast in een hoek van de woonkamer. Het huis was helemaal vies en het zag eruit alsof het in weken niet was schoongemaakt. Er waren vier jonge kinderen die eruit zagen alsof ook zij in weken geen douche hadden genomen. Ze speelden op de vloer en leken niet te beseffen wat er om hen heen gebeurde.

De vrouw zwoer dat ze weinig voedsel overhad: alleen enkele eieren en een paar stukken plat brood. Maar, zei ze, ze was blij dat ze de helft van wat ze had met ons kon delen. Ze hoopte ook dat het ons zou lukken om een auto te vinden die ons zo snel mogelijk naar onze volgende bestemming zou kunnen brengen. Ze glimlachte ook en zei: "Ik kan een kopje thee maken, maar er is geen suiker in huis en je zal het bitter moeten drinken." Mijn moeder stemde daar van harte mee in want zij houdt van thee. De drie vrouwen lachten alsof ze even een grote pijn konden loslaten die hen zo bedrukte. Ik heb geleerd dat, vooral in oorlogssituaties, lachen een geschenk is voor mensen. Lachen heelt en doet sommige van de verschrikkingen van de oorlog en de vernietiging verdwijnen.

De vrouw bereidde voor ons een maaltijd met roerei en met het weinige brood dat ze over had. Ze maakte een pot thee die bitter werd geserveerd – bitter, zoals ook onze dagen toen waren. Het eten was in een paar minuten opgegeten. Ik vond het moeilijk om uit de pan te eten waarin ze de eieren had klaargemaakt, want die pan zag eruit alsof ze, vanaf het eerste gebruik, niet meer afgewassen was. Misschien gebruikte ze, vanwege het tekort aan water, deze pan meermaals zonder ze na elk gebruik af te wassen? De vriendelijkheid van die vrouw, in de meest moeilijke omstandigheden die een mens kan doormaken, namelijk oorlog, is niet te evenaren. En het eindigde hier niet mee. Ze ging zo ver om aan haar buren te vragen of zij iemand kenden die ons zou kunnen helpen een veilige bestemming te bereiken. Uiteindelijk vond ze een man die een pick-up truck had en die ergens naartoe reed in de buurt van Sulaimani. Ze smeekte hem om ons mee te nemen. En zo gebeurde

Het volgende wat ik me herinner is dat we met het christelijk gezin samen waren in Sulaimani. Ik herinner me dat we wandelden in een drukke bazaar waar de oorlog minder intens aanvoelde. Omdat we in Sulaimani geen verblijfplaats hadden, verbleven we, gedurende een paar dagen, in een verlaten school. Daarna gingen we naar een oude kerk waar, zo werd gezegd, heel wat vluchtelingen en ontheemden zoals wij onderdak kregen. Het bijgebouw van deze kerk was verbonden met het hoofdgebouw. Het bevatte heel wat kamers, vol met vluchtelingen uit verschillende Iraakse steden, maar voornamelijk uit steden uit het noorden en het midden van het land. Het waren niet alleen christenen. In feite waren er heel veel moslims en ook mensen behorend tot andere minderheden en etnische groepen. We hoorden dat de kerk werd bevoorraad met een klein deel van rantsoenvoedsel van een VN-organisatie. Vele andere humanitaire organisaties verstrekten ook hulp aan de vluchtelingen aan de Iraaks-Iraanse grens Deze grens was slechts een paar uur verwijderd van de plaats waar we verbleven. De kerk bevoorraadde de gezinnen met één maaltijd per dag, een maaltijd die voor elk gezin, ongeacht het aantal van de familieleden, bestond uit: 2 appelen, 2 gekookte eieren en 2 broden. Deze kleine hoeveelheid voedsel was gewoon om mensen in leven te houden. Ondanks de enkele herinneringen die ik over de tijd heb die we in die kerk en in Sulaimani doorbrachten, herinner ik me nog goed hoe donker en somber de kamers van de kerk waren. Ze waren vierkant, er waren ramen, en er was deprimerend, gedimd licht. Ik denk dat het feit, dat de oorlog aan de gang was en we weg waren van huis, maakte dat alles nog donkerder leek dan het was. Het voelde alsof er geen verschil was tussen dag en nacht. Als kind kon ik enkel een eindeloze donkere tunnel zien zonder licht aan het einde ervan. Het voelde alsof de zon niet van plan was ooit nog op te komen, en er weinig verschil was tussen het licht buiten en het licht binnen in die kamers – er was niets anders dan eindeloze duisternis. Het is misschien tijdens zulke dagen dat we beter en meer leren zien in het donker.

Eén van de grootste verrassingen voor ons was dat we dezelfde familie ontmoetten waarmee we in Erbil in het ingestorte gebouw hadden verbleven (de Koerdische man, die ons had overtuigd om dat gebouw te verlaten voordat het een hoop puin en gruis werd). De vader, begreep ik later, was een hoogleraar geschiedenis. Beide ouders waren professoren en de dochters waren hogeschool studenten. Ze hielden van mijn moeder en spraken uren met haar over literatuur, ondanks de omstandigheden waarin we ons bevonden, of misschien wel net dankzij deze omstandigheden? Ik denk dat, in tijden van oorlog en dood, boeken een middel worden om te herinneren en pijn te vergeten. Uiteindelijk vroegen ze ons en het christelijk gezin, om hen te vervoegen en hen te vergezellen naar de Iraaks-Iraanse grens. Ze hoorden dat daar heel wat humanitaire organisaties waren die er betere zorg aan vluchtelingen konden verstrekken en hen konden registreren, om hen aldus te hervestigen in de Scandinavische landen. We sloten ons bij hen aan en we reisden samen naar de grensstreek.
Eénmaal daar aangekomen, zagen we dat er duizenden Iraakse gezinnen in tenten wachtten op hun lot. Overal waren er vlaggen en elke vlag vertegenwoordigde één van de vele humanitaire organisaties. Door deze vlaggen leek het alsof er meerdere landen naast mekaar lagen, gescheiden van mekaar door tenten. Het leek alsof elke humanitaire organisatie zichzelf promootte door haar logo op elk artikel te zetten dat werd overhandigd aan de vluchtelingen en de ontheemden. Mensen worden zodanig gehersenspoeld met vlaggen en logo's waar ze, zelfs onder de moeilijkste en meest zielige omstandigheden, niet lijken zonder te kunnen.

Tijdens ons verblijf daar had de Koerdische familie geprobeerd om mijn moeder te overtuigen om mee te gaan en ons in te schrijven bij één van de organisaties die Irakezen hervestigden in Europa. De professor was dolblij te horen dat dit mogelijk was. Hij vertelde ons dat we het moesten doen. Mijn moeder weigerde echter steevast en zei hem dat ze onmogelijk kon vertrekken vooraleer ze wist wat er was gebeurd met mijn vader. De professor argumenteerde (iets wat professoren doen, zelfs in oorlogsgebieden) dat, als mijn vader nog leefde, hij ons later nog altijd kon vervoegen. En als hij niet meer in leven was had het geen zin om ons leven te riskeren door helemaal terug te gaan naar Kirkuk en een onzeker toekomst tegemoet te gaan. Mijn moeder week echter niet af van haar standpunt en zei dat ze nergens heen ging zonder mijn vader.

Heel wat mensen die verbleven in dat kamp werden inderdaad geherhuisvest in Europa, maar mijn moeder besloot terug te keren naar huis. Dat was immers de enige manier om iets over het lot van mijn vader te weten te komen. Want indien hij nog in leven was zou hij naar huis terugkeren om ons te zoeken. Dit verhaal was mijn eerste les over de diepere betekenis van liefde en hoe ver men kan gaan om banden te herstellen met geliefden. Afgezien van het lijden en de lelijkheid van de oorlog die ons omringde, zag ik dat mijn moeder nooit uit het oog heeft verloren hoeveel ze van mijn vader hield, ondanks het feit dat het bijzonder moeilijk was om die beslissing te nemen. Een zwangere vrouw die weigert om zichzelf en haar zes kinderen te redden, in het belang van de man die ze liefheeft…

Veel van de gezinnen die in die kampen verbleven vertrokken en wij keerden terug naar huis toen de bombardementen afgelopen waren. Op dat moment was Irak en zijn infrastructuur volledig verwoest. De coalitietroepen trokken zich terug uit de Iraakse grondgebied. En Sadams’ leger strafte streng al diegenen die verdacht werden te hebben deelgenomen aan de opstand tegen zijn regime. Dus, zoals men vandaag heel goed weet, werd het Iraakse volk gebroken en tweemaal gezuiverd: één keer door de barbaarse bombardementen van de coalitietroepen, en vervolgens door de represailles van het regime van Saddam, nadat de coalitietroepen zich terugtrokken uit Irak en het Iraakse volk in de handen van Sadam achterliet. Tot op de dag van vandaag is één van de dingen die het Iraakse volk het meest pijn doet het feit dat zoveel mensen hun leven hebben verloren, vooral onder het mom van de leugen genaamd: de "bevrijding van Irak". Hoe kunnen criminelen - Westerse regeringen – mensen bevrijden uit de handen van een andere crimineel - Saddam? Het lijkt me dat het grootste deel van de wereld tot op vandaag deze les niet heeft begrepen…
We gingen helemaal terug naar Kirkuk via dezelfde route.

Van de terugweg herinner ik me de dode lichamen die ik van dichtbij zag toen we in de straten van Erbil liepen. Ik was hevig geschokt en ontzet over wat ik zag. Ik stopte in het midden van de straat om één van de dode lichamen van nabij te bekijken. Het was een man in een militair uniform, dat vol bloedvlekken zat ter hoogte van de borst. Zijn gezicht was grauw, alsof bedekt met het as van sigaretten. Zijn ogen waren wijd open gesperd, alsof hij uit protest nog een laatste ding moest doen, of zeggen, of zien, voor zijn leven voorgoed was afgelopen. Het lichaam gaf een enge aanblik. Deze beelden herinner ik me nu nog alsof het gisteren was. Toen we sneller gingen lopen schrok ik nog erger want er lagen overal nog veel meer dode lichamen. Gedurende de hele weg terug naar huis bleef het aanhouden: gruwelijke taferelen met dode lichamen, opgehangen lichamen, bloed, gebroken glas en vernietiging. We vonden een ​​bus die op weg was naar Kirkuk. En mijn moeder besloot om terug naar huis te keren. Ik zat naast het raam in de bus. Op de achtergrond hoorde ik mijn broers en zussen babbelen en lawaai maken.

Mijn moeder was aan het praten met de twee vrouwen uit de familie die gedurende de gehele reis bij ons waren gebleven. Ik keek vanuit het raam van de bus naar scènes van de vernietiging. Ik deed erg mijn best om elk beeld goed in me op te nemen, omdat de scènes snel voorbij gleden. Maar er was ook een vreemde stem in mijn hoofd die me vroeg om te registreren wat ik gezien had. Die stem vroeg om die lelijke taferelen van dood en vernietiging vast te leggen in mijn herinnering en erover te getuigen gedurende de rest van mijn leven. Misschien was het de stem van rechtvaardigheid die spreekt in het hoofd van een kind, en het vertelt dat het dit is waar volwassenen goed in zijn in deze wereld. En dat ik moest weigeren om net zo’n volwassene te worden als diegenen die dood en verderf zaaien. Toen we aankwamen in Kirkuk namen we afscheid van de christelijke familie, die, net als wij, hoopte naar huis te kunnen gaan. Ook zij wachtten op enig mogelijke aanwijzing die hen meer zou kunnen te weten doen komen over het lot van hun vader. We wisten dat we mekaar snel zouden terug zien. Maar het afscheid was desondanks droevig omwille van de context waarin we mekaar hadden ontmoet en omwille van alles wat we samen hadden meegemaakt.

Op weg naar huis leken de wijken leeg. Toen we thuis aankwamen zag ons huis er droog uit, als was het voorjaar. Mijn vader was er. Het was de eerste keer ooit dat ik hem zag huilen. Volgens mijn moeder was het de tweede keer in zijn leven dat hij huilde (de eerste keer was toen mijn oudste zusje werd geboren). Het was bijna niet te geloven dat we hem terug zagen. Na onze lange, vermoeiende en enge reis was het moeilijk te geloven dat de familie weer herenigd was. Mijn vader vertelde ons dat hij in nog slechtere omstandigheden had geleefd dan de onze. Het merendeel van de mensen was weggelopen toen de bombardementen verhevigden. Hij bleef over met een paar van zijn vrienden.

Ze liepen dagen en nachten na mekaar zonder te eten. Om te overleven moesten ze regenwater drinken uit vuile sloten. Voor ze in de buurt van Kirkuk aankwamen, kwamen ze voorbij heel wat dorpen. In één dorp raakten ze in gesprek met een paar onbekenden die hen onderdak, water en voedsel gaven. Die onbekende mensen bleken opnieuw zeer vriendelijk en zorgzaam te zijn geweest. Eén van de meest onvergetelijke dingen die hij beleefde was dat, toen hij door een dorp liep, een vriendelijke dorpeling hem een ​​pot yoghurt aanbood. Die pot yoghurt was bedoeld om op te eten gedurende de rest van zijn reis. Maar mijn vader at de yoghurt niet op. Hij wilde zo snel mogelijk thuis zijn om erachter te komen wat er met ons was gebeurd. Indien we nog in leven waren wilde hij dat we samen met hem van de yoghurt zouden genieten. En dat deden we. Onder die omstandigheden werd het ‘the yoghurt of life’.

Dit was slechts het begin van wat volgde in ons verdere leven: een veel langere en meer verwoestende reis van dertien jaar van VN-sancties. Elk gewetensvol mens zou die sancties moeten beschouwen als één van de grootste misdaden tegen de menselijkheid, gepleegd in de 20e eeuw en gericht tegen het Iraakse volk. Al wat Irak en zijn mensen is aangedaan (en nu ook de mensen in vele landen in het Midden-Oosten, zoals Syrië) is zo gruwelijk en zo genocidaal, dat iedereen in deze wereld zich slechts deze en enige vraag over deze regio zou moeten stellen, en die is: wanneer, waarom en wie heeft er besloten om de meeste mensen in het Midden-Oosten tot doelwit te maken van systematische uitroeiing?

Dit is voor mij de enige wetenschappelijke vraag die de moeite waard is om gesteld te worden door elke eerlijke schrijver en denker die de regio bestudeert. Het trieste relaas van wat er tijdens de VN-sancties, opgelegd aan Iraakse volk, is gebeurd, zet ik verder op het moment dat ik besluit om de inhoud van nog meer pagina's uit mijn dagboek te delen met jullie. Vandaag, nu 25 jaar van misdaden tegen de menselijkheid, gepleegd tijdens de Eerste Golfoorlog, zijn verstreken, bevindt de wereld zich op een dieptepunt. En de mensheid schijnt uit deze oorlog absoluut geen lessen te hebben getrokken. Waarom doe ik dan al die moeite om dit alles op te schrijven, mag u mij vragen? Hoewel ik, diep van binnen, voel dat wat ik schrijf niet meer dan woorden zijn, geschreven op muren van onverschilligheid, wil ik nog steeds getuigen over wat er is gebeurd. Ik hoop nog steeds dat er in deze wereld mensen zijn die deze getuigenis willen lezen. En wiens hart, geest en woning als een schuilplaats worden waar deze verhalen worden beschermd tegen de vergetelheid. Waar deze verhalen ook beschermd worden tegen het feit dat deze verhalen dreigen gewist te worden uit het vreselijke, korte geheugen van de mensheid. Ik hoop nog steeds dat op een dag het zaad van mijn alfabet zal groeien en bloeien. En ik hoop dat het een meer draalijke wereld zal creëren om in te leven.

Louis Yako is een Iraaks-Amerikaanse dichter, schrijver, en een promovendus van cultureel antropologisch onderzoek naar Iraaks hoger onderwijs en intellectuelen aan de Duke University.
Oorspronkelijke gepubliceerd op Global Research
Copyright © Louis Yako 2016

Foto's: uit de documentaire: ... whose peace will it be?